Dordrecht, Grote Kerk

Opus 1100

Het orgel in het Mariakoor van de Grote Kerk in Dordrecht werd in de periode 2005 tot 2007 gebouwd in opdracht van de Stichting Bach-orgel. Beoogd is om een orgel te verwezenlijken dat bijzonder geschikt is voor de uitvoering en interpretatie van het barokke orgelrepertoire, in het bijzonder het oeuvre van Johann Sebastian Bach.

Om die reden dienden daarbij vooral de Silbermann-orgels in de Freiberger Dom (1714) en de kathedraal in Dresden (1755) als referentiekader.

Voor het ontwerp van de orgelkast is er bewust van afgezien een kopie van een bestaand meubel te maken. Wél was het wenselijk een aantal duidelijk herkenbare elementen uit het Midden-Duitse cultuurgebied te ‘vertalen’ naar de kerkruimte in Dordrecht. Bijzondere aandacht werd daarbij besteed aan de gewelfde vorm van de torens en pijpvelden, de ‘schwung’ van de kappen op de orgelkast, de labiumvormen van de frontpijpen en de detaillering van de speeltafel. De verhoudingen en maatvoering van het meubel zijn specifiek afgestemd op de situering in het Mariakoor. De orgelkast is geheel vervaardigd van grenenhout, het snijwerk is van lindehout.

De technische opbouw van het orgel is in belangrijke mate ontleend aan de Silbermann-orgels van de St. Petri te Freiberg (1735) en de kathedraal te Dresden. In de orgelkast is een robuust grenen lagerwerk aangebracht waaraan de diverse orgelonderdelen zijn bevestigd. De windladen van Manual en Oberwerk zijn direct achter het orgelfront gesitueerd. Op kransniveau bevinden zich de laden van het Manual met het grootste pijpwerk langs de zijwanden. De twee windladen van het Oberwerk liggen een niveau hoger; het grootste pijpwerk is in het midden geplaatst. Tegen de rugwand van de orgelkast zijn de windladen van het Pedal aangebracht: de laden van het Groot-Pedaal (beide 16’ registers) in de onderkast, de windladen van het Klein-Pedaal op hetzelfde niveau als het Oberwerk. De maatvoering van met name windladen, regeerwerk en windvoorziening werd in belangrijke mate gebaseerd op het historische Saksische maatstelsel.

Karakteristiek voor grotere Midden-Duitse instrumenten uit de achttiende eeuw zijn de afzonderlijke windsystemen voor manualen en pedaal. Daarom is ook in dit orgel geopteerd voor vijf spaanbalgen; twee voor het pedaal en drie voor de manualen. De blaasbalgen hebben grenen bladen en zijn van tamelijk brede eiken vouwen voorzien. Deze balgen kunnen naar keuze met mankracht dan wel met behulp van een ventilator bediend worden.

De windkanalen zijn vervaardigd van grenenhout en de maatvoering is tot stand gekomen op basis van een analyse van origineel bewaarde voorbeelden. In het kanaal naar het Oberwerk is een inliggende tremulant aangebracht.

De klaviatuur is vervaardigd naar historische voorbeelden, dit zowel wat betreft maatvoering als detaillering. De ondertoetsen van de klavieren zijn belegd met ebben, de boventoetsen met been. De volgorde van de registertrekkers vloeit voort uit opstelling van de registers op de windladen. Boven de registerknoppen zijn op perkament gekalligrafeerde registerbenamingen aangebracht.

De toetsmechanieken voor beide manualen zijn tamelijk ongecompliceerd aangelegd; de ventielkasten zijn immers aan de frontzijde gesitueerd. De mechaniekonderdelen werden niet ingevoerd. Deze aanleg garandeert een heel precies en ‘los’ toucher.

De manuaalkoppel is uitgevoerd als schuifkoppel. De pedaalkoppel is een zogenaamde windkoppel - bij Silbermann ‘Bassventil’ genoemd - en functioneert met behulp van een extra ventielkast in de windladen van het Manual.

Het overgrote deel van de registermechanieken is van eikenhout gemaakt. De aanleg is gebaseerd op die van de orgels te Freiberg en Dresden.

De windladen zijn vervaardigd van eikenhout. Opvallende elementen zijn de hoge cancellenramen, de extra ventielkast voor het ‘Bassventil’ en de sluitingen van de voorslagen. Het pijpwerk staat zoveel mogelijk rechtstreeks op de boring in de cancel opgesteld.

De platen voor het metalen pijpwerk zijn in eigen atelier vervaardigd. Ze zijn bijna op dikte gegoten, nadien gehamerd en handmatig geschaafd. De corpus van de metalen pijpen is naar boven toe uitgedund. Ook de voor Silbermann karakteristieke wijde labiëring en labiumvoorstand zijn toegepast. De gehanteerde alliages van het metalen pijpwerk sluiten aan bij Silbermann-gebruiken.

De beide 16’ tongwerken hebben houten kastjes en zijn voorzien van zgn. Bleikehlen. De overige tongwerken hebben metalen stevels en zogenaamde franse kelen.

Het laagste oktaaf van de Bordun 16’ (Manual), de Principalbass 16’ en de bekers van de Posaune 16’ zijn vervaardigd van grenenhout.

Bij de intonatie van het orgel werd bijzondere aandacht besteed aan de aanspraak-karakteristieken, een optimale klankversmelting van de verschillende registers en de doorzichtigheid van de plena. Vanwege de bijzondere plaats van het orgel werd op een creatieve wijze omgesprongen met de door Silbermann toegepaste werkwijzen. Cor Ardesch en Peter van Dijk waren als adviseurs bij de totstandkoming van het instrument betrokken.

Ter gelegenheid van de bouw van dit orgel is een boek verschenen. ‘Bach-Orgel – Grote Kerk Dordrecht’ met bijdragen van Bart van Buitenen, Peter van Dijk, Bert Heerema, Ewald Kooiman, Jan R. Luth, Léon Verschueren en Johan Zoutendijk is geïllustreerd met foto’s van Marco de Nood. Deze publicatie is verkrijgbaar bij….

Er zijn inmiddels diverse opnames van het instrument gerealiseerd. Cor Ardesch, de vaste bespeler van het orgel, neemt de integrale bach-werken op. Meer informatie vindt u op:

http://bachorgel.nl/